Maak Gelderland mooier

Nederland als proeftuin van Europa

 

Herijk de GLB-subsidie voor de transitie van ons landelijk gebied

Hoe creëer je een landelijk gebied dat écht in balans is? Een landschap waar je heerlijk recreëert, waar voedsel efficiënt en duurzaam geproduceerd wordt, waar de biodiversiteit groot is, waar onze honger naar energie een plek heeft en waar de kloof tussen boeren en burgers is gedicht. Het antwoord is simpel: Geef zekerheid op de lange termijn!


Figuur 1 NL, Drenthe, Westerveld, Zorgvlied 1, Saxifraga-Hans Dekker

De basis van Europees landbouwbeleid

“Nooit meer honger!” Dat was het credo van Sicco Mansholt, eerste minister van landbouw na de Tweede Wereldoorlog. Een moderne agrarische sector moest hiervoor zorgen, met verdere mechanisering, specialisatie en schaalvergroting. Als Eurocommissaris gaf hij daar vorm aan en werd zo een van de grondleggers van het Europese landbouwbeleid.

Geen schaarste meer

De hoofdlijnen van dit beleid zien we vandaag de dag nog steeds terug. Het was in eerste instantie gestoeld op stabiele prijzen voor landbouwproducten. Dat bood de agrarische sector zekerheid voor de lange termijn, waardoor het zelf zou gaan investeren en innoveren in de verbetering en verdere optimalisering. Dit is gebeurd. De landbouw heeft zich dankzij het Europees beleid omgevormd tot een moderne en dynamische economische sector met een enorme economische output. Met als resultaat dat we sinds de Tweede Wereldoorlog geen schaarste of honger meer hebben. Sterker nog: Nederland exporteert nu veel landbouwproducten. De markt is voor veel producten van lokaal naar globaal gegaan.

Verschraling en melkquota

Het Europees landbouwbeleid heeft ook keerzijdes, met als dieptepunt het voedseloverschot in de jaren ’80 van de vorige eeuw: de zogenaamde 'melkplas en boterberg’. Ook heeft het landbouwbeleid geleid tot vergaande schaalvergroting en intensivering, met verschraling van de ecologische diversiteit en ruimtelijke kwaliteit als gevolg. Deze processen zetten zich tot de dag van vandaag voort.

Subsidies bijstellen                  

Het Europees landbouwbeleid is in de afgelopen decennia meerdere keren aangepast. Dat heeft geleid tot een verbreding van de subsidievormen binnen het GLB. De oude subsidie gericht op productie (markt en prijsbeleid) is er nog steeds, maar daarnaast is de zogenaamde inkomenstoeslag gekomen en de zogenaamde POP-gelden (Plattelandsontwikkeling).

Bij de inkomenstoeslag krijgen agrariërs subsidie per hectare landbouwgrond, op voorwaarde dat ze voldoen aan wettelijke voorwaarden voor milieu, voedselveiligheid en dierenwelzijn. En in de afgelopen jaren zijn daar vergroeningsmaatregelen bijgekomen. In totaal is dit 701 miljoen euro aan subsidie.

De POP-gelden komen vanuit het plattelandsfonds, waarin doelstellingen zijn opgenomen voor agrarisch natuurbeheer, innovatie en duurzaamheid. Het gaat hier om 176 miljoen euro subsidie. Klinkt mooi, maar het is en blijft hoofdzakelijk een financiële ondersteuning voor het uitvoeren van agrarische of direct aanverwante activiteiten.

Dit moet anders

Tijden veranderen. En snel! Het gebruik en de inrichting van het landelijk gebied sluiten niet meer aan op de opgave en de wensen van nu. De vraag is: hoe geven we het landelijk gebied zo vorm dat het in de toekomst tegemoet kan komen aan de veelheid van wensen en zich kan aanpassen aan de klimaat- en andere veranderingen die op ons afkomen? Dus een landschap met ruimte voor recreatie, slimme voedselproductie, biodiversiteit, energie, boeren én burgers. Als we met de huidige aanpak doorgaan, houden we die veelheid aan functies niet lang meer in stand. Een duurzame toekomst vraagt om een nieuw beleid. Ook de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur doet in haar advies van 3 april 2018 de dringende oproep om een transitie in gang te zetten naar een duurzaam en gezond voedselsysteem.

Subsidie als breekijzer

Zoals Mansholt al begreep: zekerheid op de lange termijn werkt. Het stelde de agrarische sector in het verleden in staat om grote veranderingen door te voeren. De subsidies waren toen een sterke impuls voor vernieuwing. Maar de huidige subsidies leiden vooral tot het doorgaan op dezelfde weg; tot verdere schaalvergroting en intensivering. Toch kunnen ze ook nu de juiste richting geven, als breekijzer voor de transformatie naar een veelzijdiger landelijk gebied, waarin grenzen vervagen, verschillende functies elkaar op een positieve manier beïnvloeden en waar boeren en burgers met elkaar in gesprek zijn. Wat is daar voor nodig?

In drie stappen naar een duurzame balans

1. Bied zekerheid op de lange termijn door agrariërs en samenwerkingsverbanden te ondersteunen die invulling geven aan de transformatie naar een veelzijdig en duurzaam landelijk gebied. Veelzijdig en duurzaam op het gebied van: biodiversiteit, dierenwelzijn, minder emissies gezondheid van plant, dier en mens, duurzame energie, kringlooplandbouw, ruimtelijke kwaliteit, en waarin lokale verankering en participatie worden beloond. In het nieuwe beleid hebben alleen agrariërs en samenwerkingsverbanden die hierin investeren en dus invulling geven aan de wenselijke (ruimtelijke) veranderingen nog recht op ondersteuning daarvan.

Het geld is er al! Het vraagt alleen om een herijking van de GLB-subsidies, zodat agrariërs die de handschoen oppakken worden beloond. De inkomenstoeslag en de POP-subsidie zijn samen goed voor een enorme financiële impuls van maar liefst 877 miljoen euro, alleen al in 2020. Als we deze gelden garanderen voor een periode van tien jaar, dan is dat voldoende om de transformatie in de hoogste versnelling te zetten. De eerste stappen zijn al gezet: het ministerie van LNV heeft 6 pilots geselecteerd voor natuur-inclusieve landbouw, waarin de GLB-subsidies aan een regionale, doelgerichte aanpak wordt besteed. Dit is een mooie eerste stap maar het is en blijft hoofdzakelijk een aanpassing die gericht is op het uitvoeren van agrarische of direct aanverwante activiteiten. Het geeft onvoldoende antwoord op de totale ruimtelijke en maatschappelijke transitieopgave waarvoor we staan. Ons voorstel gaat dus een stap verder: wij stellen voor om de aanpak te verbreden en in de pilot-gebieden alleen nog financiële ondersteuning te geven aan boeren die stappen zetten in de richting van de gewenste transitie.

2. Zorg voor ondersteuning van het transitieproces door in te zetten op de triple helix van overheid, ondernemers en onderzoek. Zo kunnen de noodzakelijke fundamentele veranderingen op het gebied van agrarische bedrijfsvoering goed worden ondersteund en begeleid. En zo ontstaan lokale samenwerkingsverbanden waarin circulariteit, klimaatadaptatie, lokale economie, ruimtelijke kwaliteit, identiteit, dierenwelzijn en wederzijdse afhankelijkheid tussen boer en burger centraal staan. Dat biedt perspectief voor burgers en ondernemers.

3. Stimuleer agrarische bedrijven om nieuwe, maatschappij- en marktgeoriënteerde, regionale samenwerkingsverbanden of coöperaties op te zetten die kennis, middelen en risico’s met elkaar delen. Hierin worden de marges in de keten door innovatieve samenwerkingsverbanden herijkt. Die marges komen dan zoveel mogelijk ten goede aan de regio en ‘rentmeesterschap’ krijgt zo een geheel nieuwe vorm.

Gebiedsontwikkeling nieuwe stijl

Deze nieuwe benadering biedt ook perspectieven voor gebiedsontwikkeling. Het is niet langer nodig om naar een vooraf gedefinieerd einddoel te werken, zoals in het verleden bij de ruilverkavelingen en de natuurontwikkelingsprojecten van de voormalige Dienst Landelijk Gebied. De beoogde regionale samenwerkingsverbanden kunnen met allerlei partners werken aan de invulling en vormgeving van een veelzijdig landelijk gebied, naar eigen inzicht, en gestimuleerd door de nieuwe subsidieregeling.

De tijd van sleutelen is voorbij

Het ombuigen van het Europees landbouwbeleid is niet eenvoudig. Maar de opgave voor het landelijk gebied is te groot en te urgent om niets te doen. De tijd van sleutelen in de marge is voorbij. Net zoals na de Tweede Wereldoorlog moeten we het doel en de functie van ons landelijk gebied herijken en het daarbij horende regulerings- en financieringssysteem erop aanpassen.

Proeftuin van Europa

En laten we beginnen in Nederland! Wij als proeftuin van Europa. In pilotgebieden kan een nieuwe GLB-subsidie worden doorontwikkeld, omdat ze de ruimte bieden om door trial-and-error, tot een nieuwe Europese standaard te komen. Het opstellen van nieuwe criteria voor subsidie is geen eenvoudige opgave. Maar het is een voorwaarde om te komen tot een transformatie naar een veelzijdig landelijk gebied waarin de versterking van natuur-, recreatie- en cultuurhistorische waarden, het verbeteren van het dierenwelzijn, het terugdringen van emissies, het verder ontwikkelen van circulaire bedrijfsvoering en het versterken van de klimaatbestendigheid, de ruimtelijke kwaliteit maar ook de verbinding met bewoners en bezoekers centraal staan.

De uitdaging is natuurlijk om deze criteria zo te formuleren dat ze (1) leiden tot het goede gedrag, (2) controleerbaar zijn; en (3) een basis bieden voor de hoogte van de subsidie (meer voor boeren die meer doen, minder voor boeren die minder doen).

Met een andere besteding van de huidige financiële middelen is een nieuwe manier van gebiedsontwikkeling mogelijk. Een vorm van gebiedsontwikkeling die inspeelt op de laatste maatschappelijke en technologische inzichten en ontwikkelingen.

Nooit meer schaarste

De sleutel voor de toekomst ligt dus in het verleden. Net als toen, moeten we een financieel kader bieden voor de lange termijn, maar dit keer niet gericht op modernisering, maar op innovatie, duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en nieuwe economische en sociale verbanden. Met als doel een landelijk gebied zoals Mansholt het bedoelde: een gebied dat voorziet in al onze basisbehoeften zodat we in alle opzichten “nooit meer schaarste” zullen kennen.

Auteurs

Dennis Martens is landschapsontwerper bij buro LinO, geeft vorm aan landschap en omgeving. 

Jaap van Os is wetenschappelijk onderzoeker landbouw en ruimtegebruik bij Wageningen UR.

 

Bronnen

http://toekomstglb.nl/over-het-glb/historie/

http://rli.nl/publicaties/2018/advies/duurzaam-en-gezond

https://www.rvo.nl/onderwerpen/agrarisch-ondernemen/gemeenschappelijk-landbouwbeleid/gemeenschappelijk-landbouwbeleid

https://www.bij12.nl/assets/15.-20180307-Pilots-in-het-nieuwe-GLB.pdf

6  reacties

Velden met een * zijn verplicht.

 
 

Henk 08-05-18 om 19:46

Goed verhaal! Vreemd dat we niet eerder hebben bedacht dat we al dat Europese geld ook slim kunnen gebruiken! We hebben behoorlijk zitten suffen ...

Anoniem 15-05-18 om 16:53

Ik ondersteun deze bijdrage volledig. Wanneer we niet in staan zijn om op alle genoemde deelthema's samen voortgang te boeken schiet elke regeling zijn doel voorbij. Een regionale gebiedsontwikkeling en samenwerken met alle partners daarbij nodig zijn.
Mijn ervaring tot nu toe is wel, dat het erg lastig is om het GLB te veranderen. Daar hebben we in Ooijpolder/Groesbeek hard aan gewerkt via voorbeeldgebied landschapsontwikkeling vanuit het concept groenblauwe diensten. Een succesvolle pilot op het terrein van biodiversiteit, natuur, landschapsstructuur en -beleving en recreatief medegebruik, maar helaas niet het vervolg dat het verdiende.

Rebecca 18-05-18 om 16:37

Helemaal mee eens, en slim om de subsidies die er al zijn in te zetten om wezenlijk iets te doen aan dit uit de hand gelopen systeem van schaalvergroting en verschraling, dat bovendien steeds meer uit de hand gaat lopen. Hiermee kunnen natuur, recreatie, landschap, water en bodem, maar ook het agrarische familiebedrijf tegelijk ondersteund worden.

Hans 24-05-18 om 12:08

Helder en goed betoog. Hopelijk worden jullie aanbevelingen snel opgepakt. Steeds meer signalen bereiken ons dat de huidige koers niet meer past. Verandering is dan ook nodig. Deze verandering kan niet wachten en moet naar mijn idee spoedig en voortvarend worden opgepakt.

Marnix de Vriend 25-05-18 om 22:55

Leuk artikel. Goed geschreven. Geloof niet dat Nl plotsklaps GLB geld anders in gaat zetten.

Daan Van der Linde 26-05-18 om 12:32

Complimenten voor dit heldere artikel! Kort samengevat: minder globale bulkproductie, meer lokale kwaliteit. Deze transitie samen met gebiedspartijen oppakken en GLB gelden benutten voor de vergroening. Voorbeeld Schiermonnikoog: minder koeien, eigen coöperatie voor verwerking tot streekproduct en alles samen met natuurorganisatie uitwerken.