Maak Gelderland mooier

Door jurylid Heidi Linck: Kunst in de openbare ruimte: participatie van bewoners?

02-05-2017 1 reacties

Over samenwerking met bewoners als kunstenaar: "Moest ik ze soms gaan vragen wat ik moest gaan maken? Of, erger nog, moest ik met hen samen het kunstwerk gaan maken? Sommige collega kunstenaars zeiden: doe het niet, want je laat je misbruiken voor een agenda die niet de jouwe is."

Kunst in de openbare ruimte: participatie van bewoners?

door Heidi Linck: "Beeldend kunstenaar openbare ruimte. Ik maak monumentale beelden voor stedelijke en landschappelijke settings en adviseer vanuit de kunsten over gebiedsontwikkeling."

Toen curator Hanne Hagenaars mij vorig jaar voor de Biënnale Gelderland uitnodigde om een tijdelijk kunstwerk te maken in participatie met bewoners van de Arnhemse wijk De Molenkom (De Nieuwe Weerdjes), twijfelde ik of ik daar wel op in moest gaan. Participatie met bewoners. Moest ik ze soms gaan vragen wat ik moest gaan maken? Of, erger nog, moest ik met hen samen het kunstwerk gaan maken? Sommige collega kunstenaars zeiden: doe het niet, want je laat je misbruiken voor een agenda die niet de jouwe is. Blijf autonoom!

Dat laatste was precies mijn wens: autonoom blijven in een opdrachtsituatie die op zijn minst de mogelijkheid in zich droeg om die autonomie op te geven. Want behalve de curator stelde ook de woningcorporatie, die eigenaar is van de sociale huurwoningen in die wijk, eisen. Die wilde alleen toestemming geven voor een kunstwerk waar de wijk zelf blij mee was, ook al was dit een tijdelijk project. Ze hadden mijn website gezien en ze wilden geen klachten. En participatie was voor hen de manier om dat te voorkomen.

Maar klachten zijn er altijd over alles wat je in de openbare ruimte doet en al helemaal als het om kunst gaat, omdat er geen nut of noodzaak is om de lelijkheid mee te goed te praten. Kunstprojecten die tot stand komen in participatie met burgers, vanuit de wens om daarmee klachten over het kunstwerk te voorkomen, zijn gedoemd om in ieder artistiek opzicht te mislukken.

Waarom ik toch twijfelde in plaats van de opdracht direct te weigeren, was dat het idee van participatie toch ook mijn nieuwsgierigheid prikkelde. Kan ik participatie dan niet juist vanuit het kunstwerk zelf en vanuit mijn eigen agenda inzetten? Kunnen wij niet voor elkaar wat betekenen, in plaats van dat ik alleen voor hen wat zou moeten betekenen? Waarom zouden participatie en autonomie elkaar bij voorbaat uitsluiten? Ik besloot die vragen te gaan onderzoeken in mijn kunstproject in De Molenkom.

Al snel bleek dat er in deze wijk geen sprake is van ‘de’ bewoners. Er wonen mensen met verschillende culturele achtergronden, leeftijden, inkomens, smaken en meningen. Elke bewoner is anders en ze zijn ook niet een grote hechte familie. Sommigen hebben elkaar in dit project zelfs voor het eerst gesproken.

De grauwe architectuur in de publieke buitenruimtes versus de vele kleuren die ik binnen in hun huiskamers had gezien, bracht me op het idee om met de bewoners te gaan praten over kleuren. Ik nodigde ze uit op een mooie zomeravond en het werd tot mijn vreugde een goed bezochte bijeenkomst. Ik vroeg ze om achter op papiervellen, die ik had beschilderd in een kleur, te schrijven wat ze van die kleur vonden om op basis daarvan over die kleur verder te praten. Elke kleur bleek bij de een favoriet en bij de ander juist helemaal niet. De ene kleur werd met een prettige persoonlijke herinnering geassocieerd, zoals een reis naar een ver land, maar bij de ander riep het pijnlijke herinneringen op. Een bepaalde kleur geel deed de een denken aan smakelijke appels en de ander aan giftig zwavel.

Maar wacht een even. Was ik nog wel autonoom bezig? Want tot dan toe gebruikte ik in mijn werk nooit kleur. Kleuren hadden voor mij geen enkele betekenis. Ik had ze dan ook niet nodig. Meestal verf ik het zwart. Want dan blijft alleen de vorm over. En in mijn werk wil ik eigenlijk alleen vormen laten zien, van architectonische objecten en structuren die ik ergens anders heb gezien. Maar nu werkte ik in een omgeving dat zelf al een kleurloos en donker architectonisch object was. Het aanbrengen van kleuren in dat object zou een interventie worden die die grauwheid zou kunnen duiden zoals een sokkel onze aandacht vestigt op een sculptuur. Het waren nu voor mij echter niet zomaar kleuren meer. Toen ik de panelen schilderde, herinnerde ik me bij elke kleur wat elke bewoner daarover had gezegd. Door de participatie kregen de kleuren nu voor mij voor het eerst een betekenis: hun betekenis.  

Tijdens en na het ophangen van die panelen kreeg ik ondanks de participatie toch ook kritische reacties:

‘Hoe kan een kleur zelf nou kunst zijn?’
‘Waarom is dat paneeltje zo klein?’
‘Ik had toch gezegd dat ik goud niet mooi vind!’
‘Waarom is dit nou weer nodig?’
‘Waarom hang je ze zo op als reclameborden?’
‘Waarom heb je ze zo slordig beschilderd?’
‘Waarom is dit kunst?’
‘Word jij hier voor betaald?’

Vragen en reacties, die op een paar na een gedroomde uitkomst van een kunsteducatie-project hadden kunnen zijn. Want ze laten zien dat die mensen echt goed keken. Of ze er nou blij mee waren of niet, men was betrokken bij het kunstwerk en ik kreeg daar op straat een inhoudelijk contact met ze. De soms best felle kritiek deed me even slikken, maar toen ik de panelen aan het einde van de Biënnale weer weghaalde, kwamen er bewoners naar buiten:

‘Waarom moeten ze nou weer weg?’
‘Wat komt er voor terug?’
‘Mag ik er een hebben?’

Ik zocht niet naar een kleur die alle bewoners zou behagen. Die bestaat ook niet. En als ik had geprobeerd om tot een compromis te komen met een kleur waarin iedereen zich had herkend, dan had ik alle kleuren door elkaar moeten mengen.

En dan waren alle panelen grijs geweest. Kleurloos.

 

1  reacties

Velden met een * zijn verplicht.

 
 

Een momentje...
Egbert Bouwhuis, ingenieur uitvinder kunstenaar 10-05-17 om 12:14

Leuk verhaal, dankjewel, we maakten ons al ernstig zorgen over de autonomie der beeldende kunst toen we de gedachte achter de Biënnale Gelderland bespraken met de mensen van VM23.